De Zaanse Brabander

Home

leven

werk

hobby

verhalen
Om de menselijke maat in de zorg
Tanzania
huisarts in Uden
Medipark
het afscheid
Tanzania

Leven en werken in Tanzania

Toen wij in december 1972 in Tanzania aankwamen was Gu 7 maanden  zwanger. We wisten nog niet waar we zouden komen te werken en wonen. Via de Nederlandse ambassade werden wij voorgesteld aan een van de hoge ambtenaren van “Afya”, het Tanzaniaanse ministerie van gezondheid. De heer N.B.Kuuli ontving ons  en besloot dat wij, vanwege de zwangerschap van Gu, het beste naar Moshi konden gaan. Moshi was in grootte de vijfde stad van Tanzania en ligt aan de voet van de Kilimanjaro, de hoogste berg van Afrika. Een niet al te heet klimaat met goede ziekenhuizen. Ik zou gaan naar het Mawenzi Governemet Hospital. We kregen een vliegticket en voor Kerstmis waren wij in Moshi. Met een brief van het ministerie meldde ik mij bij dokter Mtebe, de Regional Medical Officer in het Mawenzi ziekenhuis. Het was niet duidelijk of ze wisten dat ik kwam. Maar werk genoeg. Naast dokter Mtebe werkte er de Indiaanse Sikh dokter Bachu, die district medical officer was, de Afrikaanse arts dokter Sabuni en nog een arts uit India, dokter P.K.Asthana. Ik wilde het liefst de volgende dag beginnen maar er moest wel het een en ander worden georganiseerd. We werden ondergebracht in de YMCA, een soort jeugdherberg. Er was wel een zwembad bij. We hadden een paar koffers bij ons met de hoogst noodzakelijke spullen. Ook babykleertjes hadden we alvast wat mee.

We werden opgevangen door de Nederlandse gemeenschap. Er waren enige Nederlandse specialisten in het grote Kilimanjaro Christian Medical Centre, er waren vrijwilligers en er waren leraren voor allerlei onderwijsinstellingen. Ook via missie organisatie waren er Nederlanders , o.a enige paters. Mijn werk bestond aanvankelijk uit de polikliniek van de klasse afdeling. Dat waren patiënten voor wie het bezoek werd betaald. Ik had niet het gevoel dat ik daarvoor naar het socialistische Tanzania was gekomen. Er was een grote polikliniek ( OPD = outpatient departement) waar zo’n 1500 patiënten per dag werden gezien door Medical assistents en medical aids. Medical assistants kun je vergelijken met een medische HBO opleiding. Medical aids waren medische mbo’ers. Er was nauwelijks toezicht van een arts. Ik heb gevraagd of op die OPD mocht werken en toezicht houden. Verder kreeg ik de leiding over een mannenzaal voor interne ziekten. En een middag per week mocht ik opereren; liesbreuken , waterbreuken etc. 

    de verschillende paviljoens van het Mawenzi Governemnt Hospital in Moshi

Vooral op de OPD zag ik ontzettend veel tropische ziektes zoals malaria, leverabcessen, anthrax. Maar ook veel tuberculose (bij Masai) en veel ondervoedde kinderen. Ook veel uitdroging bij kinderen. Verder kreeg ik de opdracht om een keer week naar de regionale gevangenis te gaan om zieke gevangen te bekijken. Maar de gevangenis was ook regionale psychiatrische kliniek. Daar werden mensen opgesloten die wegens wanen en hallucinaties een gevaar waren voor de omgeving. Veel schizofrenie, maar ook hersenbeschadiging door malaria etc. Ik was sterk afhankelijk van de informatie van de verpleger/bewakers. Ik begon met de introductie van largactil. Het eerste geneesmiddel dat je per injectie tegen wanen en hallucinaties kon geven. Het was toen al zo’n 30 jaar oud. Het deed soms wonderen. Er waren mensen die soms enige etmalen achterelkaar op dezelfde plek bleven staan (katatone stupor). Die moesten ongelofelijke hoeveelheden largactil hebben om ze  weer in beweging te krijgen. Als ik uit de gevangenis kwam (inderdaad met torens en kantelen) dan zaten buiten in het gras de familieleden van gevangenbewaarders ( en waarschijnlijk ook familieleden en dorpsgenoten) die ik ter plekke moest behandelen voor hoest of buikpijn. Vaak zat er ook een delegatie van een dorp. Die vroegen dan beleefd een onderhoud met mij. Ze wilden onder hun verantwoording een van de psychotische patiënt meenemen voor “native treatment”. Dat wil zeggen ze wilden zo’n patiënt meenemen voor een behandeling door een traditionele genezer. Het bleek dat dit kon als ze een verklaring ondertekenden waarin de familie en dorpsoudsten de verantwoordelijkheid voor al de gedragingen van de patiënt tijdens het verlof namen. Eigenlijk een soort TBS proefverlof. Vaak kwamen de patiënten terug , maar niet altijd. Het kan ook goed zijn, dat ze vanwege de schande ergens in een hut werden opgesloten. Op de OPD zag ik ook veel rekruten van de politieacademie en het leger. Ze willen een briefje dat ze niet meer tegen de vieze pap konden. Of een briefje dat ze hun koppelriem niet hoefden te dragen vanwege buikpijn. Maar ja dan zakt je broek af en kun je niet werken. Kortom er was een hele briefjes cultuur. E.D. = excuse duty; maximaal 4 dagen.  Ook  de verklaringen voor de “workmans compensation” moest ik doen. Pink er af 9 % , twee pinken er af 18%. Etc.  Voor dit werk waren we niet voorbereid op de tropencursus. Die ging nog uit van de situatie in de missieziekenhuisjes op het platteland waar de dokter een groot deel van zijn tijd aan operaties, keizersneden en moeilijke verlossingen besteedde. Ik was een van de eerste Nederlandse artsen die op zo’n grote Afrikaans polikliniek ging werken. Het woord cultuurschok was hierop zeker van toepassing. Zo moest ik van moeder-overste beoordelen of novices geschikt waren voor een kloosterroeping. Als moeder-overste twijfelde, dat wist ik wel dat ik haar maar beter kon volgen. Er waren veel kloosters in de omgeving. Voor Afrikaanse nonnen waren er zo kansen, die ze anders als vrouw nooit hadden gekregen.

       Mijn spreekkamer op de O.P.D. ( polikliniek) . Edward Lymo stond bij de deur: portier, boodschapper, uitsmijter, tolk van het KiChagga naar het KiSwahili.

      Opereren met assistentie van een Nederlandse collega op bezoek. Waarschijnlijk een waterbreuk.

    

Leven in Afrika.

Na een verblijf van enige weken in de YWMC kregen we een huis. Het was eigenlijk een huis voor een vrijgezel. Maar wij vonden het prachtig. Alle grotere huizen dateerden nog uit de koloniale tijd en hadden aan koloniale overheidsorganisaties behoord. Naast ons woonde een Zweedse vrijwilliger. Wij gingen met de bus naar Dar es Salaam om in de haven onze auto op te halen. Een tocht van 600 kilometer toen Gu 8 maanden zwanger was. Je kunt er maar beter niet aan terug denken. Met de auto, een oranje Volkswagen 1600 variant, zijn we terug gereden. Zoals elke “ex-pat”  werden wij geacht personeel in dienst te nemen. Als je dat niet deed was je a. asociaal en b. kreeg je dagelijks mensen aan de deur die kwamen vragen om een baantje. Aanvankelijk meenden we dat we met een “aya”, en hulp-in-de-huishouding, konden volstaan. Maar we namen uiteindelijk ook een nachtwaker in dienst. Een askari (swahili woord voor krijger) zat gewapend met pijl en boog en zwaard, ’s nachts in de hal voor de deur. We hadden ook een tuinman, maar die deed meer kwaad dan goed. Toen de zaak bijna afbrandde hebben we hem op staande voet ontslagen. Laurenzie is altijd bij ons in dienst geweest.

Op 5 februari 1973 werd onze dochter Vibeke geboren in het KCMC. De familie in Nederland werd op de hoogte gesteld door een telegram, dat enigszins verminkt aan kwam, zodat ze niet wisten of jet een jongetje of een meisje was. Mijn Afrikaanse baas vond dat het in ieder geval bewees dat ik het kon, maar dat het echte werk toch een zoon was. Het was gek dat je zo samen een kind kreeg ver van de familie. Alleen een enkele Nederlandse kennis kwam langs.

         

            

Trotse ouders met baby in de hal van het Kilimanjaro Medical Centre. En het geboortekaartje was er ook in KiSwahili.  De reactie's van de Tanzanianen waren wat lauw. Een dochter gold niet als een byzondere prestatie.

Gewerkt werd er ook op zaterdagochtend. Elke dag was een lunchpauze thuis. Veel brieven schrijven naar Nederland. Die deden er per luchtpost 5 dagen over. Elke dag lazen we de Engelstalige Tanzaniaanse krant . Deze bracht veel sensatieberichten en was de spreekbuis van de regerende socialistische TANU partij.

Toen Vibeke wat groter was gingen wij op zondag naar Tanzanite. Een hotel met zwembad uit de koloniale tijd. Een keer zijn we naar het Arusha national Park geweest. Heel spannend; apen en olifanten. Maar we wisten nog niet waar we naar moesten kijken.

Geleidelijk raakten we ingeburgerd. We wisten waar we de boodschappen moesten doen: Karim’s supermarkt, de Griekse bakker en de markt. Veel luxe was er niet te koop. Veel producten kwamen uit China of India. Bijv. Chinese fietsen. Met ons Europese geld was meestal alles te koop. We gingen naar ex-pat party’s. Er ging altijd wel iemand terug naar Europa of iemand was jarig. Er kwamen familieleden en vrienden uit Europa op bezoek. In ( korte) vakanties hebben we alle grote wildparken bezocht omdat die maximaal 400 kilometer van Moshi lagen. We hadden niet veel vakantie maar er waren erg veel nationale en christelijke en islamitische feestdagen dus er was nog wel eens een lang weekend te bedenken. Saba Saba, de zevende van de zevende, was de grootste feestdag. De oprichting van de socialistische TANU partij, de enige die was toegestaan, werd dan gevierd met allerlei manifestaties zoals traditionele dansen, een soort braderie, parades etc.

   

Ons huis Kilimanjaro Road 98B. Links woonde een Zweedse vrijwilliger. Voor de deur een termietenheuvel.

Na een half jaar kregen we een groter huis van lavasteen met een grote veranda. Dat behoorde eigenlijk aan het departement voor bosbouw. Op het terrein stond een gastenverblijf waar een Afrikaan woonde.

 

Gu ging helpen op de speciale kinderkliniek voor ondervoedde kinderen. Europese vrouwen leerden daar de Afrikaanse moeders eenvoudige kleren naaien. Verder hielp ze een Finse Lutherse ziekenhuispastor bij zijn onderzoek voor zijn proefschrift. Ze heeft ook nog wat lessen op een verpleegstersopleiding gegeven. Vibeke groeide voorspoedig op en mocht zich op allerlei plaatsen verheugen in een bijzondere belangstelling van de Afrikaanse bevolking.

In 1973 was er weer een Israelisch-Arabische oorlog. Dat leidde tot de eerste oliecrisis. Het gevolg hiervan in Tanzania was hongersnood omdat de kosten van voedseltransport en van kunstmest veel te snel stegen. Ook wij kregen te maken met distributieproblemen. Iedereen begon te hamsteren; bijv. bier. Er kwam soms een soort ruilhandel opgang. In Nederland waren er autoloze zondagen. Dat was heel erg. ( van die autoloze zondagen). We werden op de hoogte gehouden via de Wereldomroep en kranten en tijdschriften die mijn vader per zeepost stuurde. Zelf was ik geabonneerde op Newsweek. Mijn Afrikaanse collega kon niet wachten tot ik het uit had, omdat het een andere blik op de wereld bood dan de gecensureerde Tanzaniaanse kranten.

De verpleegkundigen van het zuigelingenzorg maken op de jaarlijkse "fair" op Saba Saba, de belangrijkste natiobale feestdag van Tanzania, "reclame"voor de "under-five-clinic", het zuigelingenbureau.

 

Veel mensen die in andere landen hebben gewerkt, weten wat de cultuurschok is. De onrust en onzekerheid die ontstaat omdat normen en waarden, maar ook regels afspraken anders zijn dan je gewend bent. We gingen ook naar Afrika met het multiculturele ideaal;  “Alle menschen werden Bruder sein”. Maar in de praktijk was Multi-culti ( zoals het tegenwoordig wordt genoemd) toch vooral anders eten en andere kleren dragen. Echte sociale omgang lukte niet goed. We waren een keer bij een Indiase collega uitgenodigd. Gu moest bij de vrouwen zitten, waarvan er geen enkele Engels sprak. Het grote verschil met de Westerse samenleving was toch de positie van de vrouw. De emancipatie in West-Europa was min of meer gemeengoed geworden. Maar in Dar es Salaam, maar ook in Moshi, liepen op enig moment kuitentikkers rond. Werkeloze jonge mannen die door Arabische of Islamitische organisaties waren ingehuurd, om vrouwen, die hun kuiten onbedekt hadden, met een stok op de kuiten te tikken. De Tanzaniaanse overheid probeerde manmoedig het seculaire karakter van de staat te bewaren maar had weinig machtsmiddelen tegen lokale overheden. Zo werd onbetamelijkheid bestreden. Het patriarchaat sloeg terug. In Nederland liep men toen in hot pants. 

Het socialistische model van de Ujamaa, de gemeenschappelijke landbouwdorpen, ging steeds meer falen. Er moest steeds meer staatsgeweld worden gebruikt om de Afrikaanse boeren naar de gecollectiviseerde dorpen te krijgen. Het ideaal van de Ujamaa was van een fraaie denkschoonheid maar er was geweld nodig om dit ite realiseren. We kregen dit door en voelden ons daar niet prettig bij. Het maakte ons ook een beetje een buitenbeentje bij de ex-pats die er bijna allemaal nog in geloofden. Ook onzekerheid over de plaats van een tweede contract, deed ons besluiten om geen nieuwe termijn te zoeken. Met pijn in het hart namen we afscheid van dit mooie land.

Mijn Rafiki's ( vrienden)

       Afscheidsfoto van de medwerkers van de O.K. en de gipskamer. Zuster Mariette Lyimo en mr. Temba. Ze hechtten alle wonbden en maakten alle gipsen.

 









Homelevenwerkhobbyverhalen