De Zaanse Brabander

Home

leven

werk

hobby

verhalen
Om de menselijke maat in de zorg
mijn ouders
de Zaanstreek
school en leven
beroepsopleiding
school en leven

In ben geboren in de “hongerwinter”, op 8 maart 1945. De hongerwinter was de laatste winter van de tweede wereldoorlog. Zuid Nederland was bevrijd maar de Duitsers hielden stand ten noorden van de grote rivieren. Door de spoorwegstaking van 1944 was de voedseldistributie ernstig belemmerd.  Door de voortgaande oorlogshandelingen stortte uiteindelijk de hele voedseldistributie ineen. Mensen waren voor voedsel op elkaar aangewezen. En op ruilhandel met boeren.

             

 

kinderjaren

Twee maanden later was heel Nederland bevrijd. In de Hongerwinter en het eerste jaar van de bevrijding waren er veel epidemieën die ook de verzwakte kinderen ernstig troffen. Voor mijn eerste verjaardag lag ik drie maanden in het ziekenhuis Sint Jan in Zaandam.  Omdat er aanvankelijk nog geen autobusverkeer was, moest mijn moeder met een vrachtscheepje over de Zaan naar het ziekenhuis voor het bezoek. Het is lang een traumatische ervaring gebleven. De eerste jaren na de oorlog waren voor de meeste mensen een armoedige periode. Er was aan alles gebrek; vooral aan woonruimte. Veel mensen woonden  “in”. Mijn ouders hadden het geluk dat ze in de strenge winter van 1946 op 1947 konden verhuizen naar een fabriekswoning. Bij de meeste fabrieken waren fabriekswoningen. De directeuren woonden naast de fabriek maar ook een aantal mensen die altijd beschikbaar moesten zijn bij problemen. Er woonde meestal een of twee elektriciens, een of twee monteurs, een papiermaker, een machinist, een riemenmaker etc. Bij storingen waren ze 24 uur per dag binnen enige minuten beschikbaar. Kort voor de verhuizing was mijn broer geboren. Het huis gebouwd in1880. Toen was het waarschijnlijk een relatieve luxe geweest.  Het was slechts “een-steens” en gepleisterd. Maar er was gratis elektriciteit van de fabriek; dus er waren veel elektrische kacheltjes. Na de tweede wereldoorlog was het voor veel mensen weer een luxe.

                         De "Witte huizen"omgeven door dekschuiten met hoge stapels cellulose; een grondstof voor de papierfabricage. 

Mede door de Marshall hulp ging het in Nederland wat beter. De papierfabriek begon aan een ambitieus uitbreidingsprogramma, dat mogelijk werd gemaakt door de grote winsten die het bedrijf maakte.  Als kind  speelde ik op het fabrieksterrein, in de fabriek en op de dekschuiten met grondstoffen voor de fabriek.  Een wonderlijke wereld.

Ons dorp bestond voor een derde uit “rooien” (socialisten en communisten), een derde uit protestanten ( 7 kerkgenootschappen) en een derde katholieken. De meeste mensen werkten op een van de fabrieken. Er waren heel weinig rijke mensen op het dorp. De katholieken waren het armst; behalve de boeren. De pastoor had voor de oorlog gezorgd dat er een nonnenklooster op het dorp kwam. De nonnen hadden een kleuterschool en een meisjesschool gesticht en waren werkzaam in de kraamzorg en de wijkverpleging. Zo kwam het dat ik op mijn vierde bij zuster Martien in de klas kleuterklas kwam. Op mijn zesde mocht ik naar de lagere school. Ik zat 3 jaar in de klas bij meester de Boer; een gedreven jonge onderwijzer die het beste uit ons haalde. Omdat ik altijd vlug met het werk klaar was, mocht ik boeken uit de bibliotheek van school lezen.  Zo heb ik leren “snellezen” want voor het einde van de lagere school had ik alle boeken gelezen.

Een boeiend tijdsbeeld over Wormer wordt geschetst in het boek over de familie Koelemeijer,  Het zwijgen van Maria Zachea. Het stamgezin Koelemeijer was een groot katholiek gezin. Dertien kinderen werden groot gebracht die globaal twee loopbanen hadden ; Of in de "tuin"of een intellectueel beroep als leraar, maatschappelijk werkende of jurist. De vele jaren durende verzorging van hun gehandicapte moeder confronteert ze met elkaar.

 

Mijn vader was o.a. secretaris van de voetbalverenging WSV ‘30, zodat ik op mijn tiende keeper werd bij de welpen(pupillen). Terwijl ik zelf droomde van geweldige “saves”werd ik “ballenvergiet” genoemd. Een lot dat vele keepers heeft getroffen. Aan vermaak had het dorp behalve de papierfabriek en bouwplaatsen van woningen niet veel te bieden. Vele kinderen hadden een baantje. Op mijn tiende leerde ik melken bij boer Meijer. We hielpen ook bij het hooien. In 1954 waren de wereldkampioenschappen voetbal op de TV. Wij gingen kijken bij een boer in het dorp Knollendam;  een half uur fietsen. Hij was een van de eerste mensen in de gemeente met een TV toestel. Later konden we op zaterdag TV kijken op de boerderij van de familie Meijer aan de Dorpsstraat. We keken naar de omroepster “ tante Hannie” en naar dappere Dodo. Verder zat ik op de padvinderij. We zouden in 1957 op kamp, maar alle zomerkampen werden dat jaar afgelast vanwege een epidemie van polio,ook genaamd kinderverlamming. Een afschuwelijke ziekte waartegen we enige jaren later gevaccineerd konden worden. Aan het einde van de lagere school werd ik geselecteerd voor de “door-leer-klas”. Ik deed toelatingsexamen voor ULO en HBS. Op beide scholen werd ik toegelaten. Het werd de R.K.HBS in Zaandijk. Later werd dit het St.Michaelslyceum. Het was op het hoogtij  van de verzuiling. Er was slechts één katholieke middelbare school in Noord Holland boven het Noordzeekanaal. Alsof het een soort missiegebied was werden er in Zaandijk en Hoorn katholiek middelbare scholen gesticht om “katholiek kader”te kweken.  Noord Holland kende een groot aantal katholiek dorpen maar de meeste katholieken waren boer, boerenknecht of fabrieksarbeider. De jongens die goed konden leren werden geselecteerd voor een van de seminaries voor opleiding tot priester of missionaris. Volendam heeft veel priesters geleverd. Een enkele jongen kon naar de middelbare school in Amsterdam of naar een “openbare” middelbare school.  Meisjes konden soms naar een kostschool. 

Ook over mijn middelbare school is een boek verschenen. het speelt enige jaren nadat ik van school af was. Tijd van onschuld
een waargebeurde familiegeschiedenis. De schrijfster
Agnes Klitsie was de jongere zus van Riet Klitsie, de schoolvriendin van Gu. Agnes blijkt in 1966 op 15 jarige leeftijd, terwijl  ze in de tweede klas van het Sint Michaels lyceum zat, in het geheim in het ziekenhuis in Wormerveer een kind gebaard te hebben dat ze meteen voor adoptie afstond. Toen de dochter 30 was oud was, is ze haar gaan zoeken en heeft haar gevonden. Het boek is eigenlijk een apologie voor de dochter. Waarom het allemaal zo is gelopen. Een groot katholiek gezin in de Stationstraat in Koog aan de Zaan. De  vader had een dameshoedenfabriekje achter het huis. De ouders kwamen uit Wormer.
Twee zussen "boven haar" zaten op het Sint Michals college. Mooie en losgeslagen meiden. Riet, de vriendin van Gu, ging er naar haar eindexamen met een getrouwde man met drie kinderen van door naar Frankrijk. In het boek wordt er een loverboy avant la lettre van gemaakt. De tweede zus Lia , wordt van Sint Michael gestuurd wegens seksueel provocerend gedrag. Beide oudere zussen zouden overigens filosoof worden. Gu herkende zich twee keer. Een keer als een voorbeeld type van de godsdienstleraar ( moderator Beemer) en een keer als de vriendin waar Riet zo genaamd huiswerk maakte terwijl ze in feite met haar getrouwde minnaar in de duinen was.
 
Er zitten nogal wat onjuistheden in het boek. Zo waren er niet veel monniken op het Sint Michaels Lyceum in grijze pijen maar slechts een broeder (Emilio) in een zwart pak. De chronologie klopt niet altijd. Maar het is boeiend om die tijd terug te zien. Agnes is na de bevalling, omdat ze voor de tweede keer bleef zitten, naar het Zaans Lyceum gegaan.
 
Het is ook een beeld van de jaren zestig met de snelle ontkerkelijking en de grote veranderingen in de seksuele moraal. De R.K. Kerk moet het in het boek erg ontgelden. Paradoxaal is dat door de ontkerkelijking de dameshoedenfabriek van haar vader op de fles gaat; Er gingen geen dames met hoeden op naar de kerk.

De middelbare school betekende voor mij een breuk met de cultuur en normen en waarden van het arbeidersdorp Wormer.  Lezen, discussiëren, andere sporten ( volleybal) etc.  Maar omdat veel leerlingen dezelfde achtergrond hadden, was de overgang heel geleidelijk. De school gaf een heel andere kijk op zaken dan ik van huis uit gewend was. Het was vaak erg moeilijk, maar omdat ik stuurman op de grote vaart wilde worden, hield ik het vol. In mijn vrije tijd ging ik naar de zeehaven van Zaandam, het Noordzeekanaal of de sluizen van IJmuiden om naar de zeeschepen te kijken. Na de derde klas van de HBS gingen de meeste leraren weg vanwege een conflict met het bestuur. Er kwamen nieuwe leraren. Die hadden voor die tijd moderne ideeën; bijvoorbeeld over een schoolvereniging met een schoolparlement. Bij de verkiezingen werd ik nummer 2 en werd secretaris van de schoolverenging.  Verder werd ik enthousiast voor Nederlandse litteratuur. Het nieuwe elan op school maakte dat ik open ging staan voor mogelijke andere loopbanen in het leven. In de periode voor het eindexamen, kwam ik na een oriëntatiefase tot de conclusie dat ik arts wilde worden.

Het echte leven

Ons gezin telde uiteindelijk twee jongens en drie meisjes. We werden volop deelgenoot van de grote veranderingen tijdens de wederopbouw periode na de oorlog. In 1961 verhuisden wij naar een nieuwbouwwoning.  Er was een douche in huis. En een moderne keuken. In plaats van overal kleine kachels hadden we een moderne “kolenconvector”. En later centrale verwarming. Er kwam TV. In de laatste jaren van de middelbare school kreeg ik de kans om via de schoolbibliotheek veel te lezen. In de eerste jaren ging ik vooral kijken in de havens. Later kreeg ik ook andere belangstelling. Toen ik 17 was kreeg ik mijn eerste pick-up. In plaats van naar de Dixieland muziek op radio Luxemburg te luisteren, kon ik nu zelf een plaat van Louis Armstrong of de Dutch Swing College band beluisteren. Op de HBS had de muziekleraar Nico Hermans, ook dirigent van het Nationaal jeugd orkest, ons bijgebracht dat klassieke muziek geen “kattengejammer” was;  een omschrijving van veel dorpsgenoten. Een van mijn eerste plaatjes was de serenade voor strijkers van Tjaikowski. De school organiseerde voor de hoogste klassen ook reizen naar Duitsland. Dat was ook om onze culturele horizon te verbreden. Dat kostte overtuigingskracht. Het uitgaansleven in de Zaanstreek was nog volledig verzuild. Ik ging naar een katholieke dansschool ( gevestigd in het gebouw van de socialistische vakbond NVV! ). We gingen naar katholieke dansavonden. Ook de school organiseerde dansavonden etc. Ik had de laatste jaren op de HBS een fantastische tijd. Ik zat ik het  bestuur van de schoolverenging. Ik schreef onder allerlei pseudoniemen de schoolkrant vol.  Er veranderde veel. Op school keken we naar een TV uitzending van de opening van het Tweede Vaticaanse concilie.  Via de TV konden we de Amerikaanse presidentsverkiezingen volgen. Met name Kennedy maakte grote indruk op de jongeren. In 1961 begon de bouw van de Berlijnse muur. Dat gaf een groot gevoel van dreiging. De groeiende welvaart was af te lezen aan de groei van het aantal auto’s en nieuwbouwwoningen. De moord op Kennedy heeft ook veel jongeren aangegrepen. En het was een markeringspunt voor een periode van optimisme naar een tijdperk van maatschappelijke conflicten. Parijs en Berlijn 1968. De Maagdenhuisbezetting in 1969.

De studie in Amsterdam opende weer een hele andere wereld. De eerste jaren ging ik per trein naar Amsterdam. Omdat er geen kamers beschikbaar waren. In de Zaanstreek gingen veel studenten per trein naar de colleges. Daarom was daar ook een Zaanse Studenten Verenging opgericht. Ik was daar enthousiast lid van. Ik heb er mening vrijdagnacht doorgebracht. En dan de volgende morgen roeien (of de post bezorgen).  De verhuizing naar de Amsterdamse Jordaan, naar een studentenhuis met 48 mannelijke studenten, was een belevenis. De medische studenten stonden ’s morgens om 7 uur om college te volgen om 8.15 uur. Tegen de tijd dat wij terug kwamen voor de lunch, stonden de anderen net een eitje te bakken voor hun ontbijt. Inkopen deden wij in de buurtwinkel van ome Joop. Cafés droegen namen als “Het Bruine Paard”,  “De Oude Wester” of “ Ome Nelis”. In die tijd gebeurde van alles in Amsterdam; Provo, het Lieverdje. Het huwelijk van Koning Beatrix en Prins Claus vond bij ons voor de deur plaats. In café de Prins, vlakbij, werd D 66 opgericht. De studie was ook een doorbreking van het leven in een zuil.  De persoonlijke en maatschappelijke mogelijkheden  tot ontplooiing waren heel groot. Enige maanden na mijn kandidaatsexamen kwam ik in de Kerstnacht van 1967 mijn vroegere schoolgenoot Gu Bakkum weer tegen. Zij studeerde sociologie in Utrecht. We kenden elkaar van het St. Michaël Lyceum. Met Kerstmis werden ook de oud-leerlingen van de school uitgenodigd voor de Kerstnachtdienst. Van het een kwam het ander. Op 16 januari 1970 zijn we getrouwd en in de Bijlmermeer gaan wonen.

        

Zo zagen wij er uit.

En zo zag de Grubbehoeve in de Bijlmermeer er uit:









Kleindochter Judith Koelemeijer, die als journaliste bij de Volkskrant werkt, heeft met alle familieleden indringend gepraat en dit heeft geleid tot een zeer open hartig en glashelder portret van deze familie. Daar is veel moed voor nodig geweest van de familieleden om deze openhartigheid op te brengen. Het boek is te vergelijken met "De eeuw van mijn vader" van Geert Mak.
Aan de hand van dit familieverhaal worden de grote maatschappelijke veranderingen in de jaren zestig en zeventig direct en indirect duidelijk gemaakt aan de lezer. Als plaats- en tijdgenoot van de geïnterviewden heb ik boek met zeer veel belangstelling gelezen. Ik denk dat het boek echter ook aan anderen duidelijk kan maken hoe de maatschappelijke veranderingen van de jaren zestig en zeventig soms diepe sporen door gezinnen en families trokken.
Ik zat met verschillende jongens van die familie op de lagere en middelbare school.

Homelevenwerkhobbyverhalen